Stadsgesprek #44 Boukje Cnossen over het Volkskrantgebouw en de creatieve klasse

Boukje Cnossen (26 jaar) heeft een jaar lang als onderzoeker aan de UvA gewerkt en rondgelopen in het Volkskrantgebouw. Ruim tachtig interviews hield zij met de huurders van het gebouw aan de Wibautstraat. Haar onderzoek richtte zich op de onderlinge netwerken in het gebouw. Zijn die netwerken tussen filmers bijvoorbeeld anders dan die van ontwerpers? Het moment van onderzoek (juni 2012-zomer 2013) kwam goed uit, want dit was in de aanloop naar de verbouwing van het gebouw tot hotel. Een deel van het gebouw blijft beschikbaar als betaalbare werk- en atelierruimte, de zogenaamde broedplaats. Maar veel huurders moeten verhuizen. Die dynamiek gaf het onderzoek van Boukje Cnossen een meerwaarde.

 

“Amsterdam mag wel wat opener en makkelijker zijn voor mensen met potentie uit het buitenland.”

 


De waarde van netwerken
Uit het onderzoek van Boukje bleek dat de netwerken in het gebouw verschillend in karakterzijn. De verschillende groepen in het gebouw reageerden ook anders op de aanstaande verhuizing, zo bleek uit de interviews: “De filmers bijvoorbeeld organiseerden zich sterk als groep en hadden daardoor een sterke positie. Maar anderen waren veel losser en hebben hun eigen weg gezocht.”
In het mogelijk maken van die verbindingen en ontmoetingen ligt volgens Boukje Cnossen de waarde van het gebouw. “Voor de bedrijfjes en zzp-ers was het Volkskrantgebouw een alternatief voor thuiswerken. Hier ontmoetten ze andere creatieven en konden ze elkaar helpen. Overigens ging dat heel informeel en op vrij basic niveau: van het lenen van printerpapier tot het uitwisselen van tips over acquisitie.”
Het belang van de stad als omgeving voor ontmoetingen, “interactiemilieus” in wetenschappelijk jargon, onderstreept Cnossen: “Als je een stad bent met plekken waar mensen ideeën kunnen uitwisselen (en dan niet in een kroeg), dan is dat goed voor het intellectuele en economische klimaat. Mediadenkers zoals Clay Shirky maar ook sociologen als Richard Sennett komen tot de conclusie dat het faciliteren van samenwerkingsverbanden tussen slimme en creatieve mensen innovatie tot stand brengt. Amsterdam biedt die mogelijkheden tot ontmoeting en verbindingen leggen.”

Creatieven als excuus
De afgelopen tien jaar zijn “de creatieven” wel eens afgeschilderd als wondermiddel. Zo zou hun aanwezigheid zorgen voor levendigere buurten, veranderen ze leegstaande gebouwen tot hippe hotspots en zorgen ze voor het aantrekken van grote bedrijven.
Cnossen: “De creatieven zijn dat wondermiddel natuurlijk niet, maar je ziet wel dat hun aanwezigheid zorgt voor waardeontwikkeling. Het feit dat dit gebouw nu een hotel wordt, komt door de aanwezigheid van alle bedrijfjes, Canvas en de evenementen hier. Daardoor heeft het gebouw een waarde gekregen waar de ontwikkelaar brood in zag. De doelgroep van het hotel is ook diezelfde creatieve klasse. En doordat een deel broedplaats blijft, houdt het hopelijk ook die sfeer.”

Meedelen in waardeontwikkeling
De klacht over het verdwijnen en veranderen van plekken als het NDSM-terrein en het Volkskrantgebouw is dat de gebruikers hebben gezorgd voor het “neerzetten” en ontwikkelen van zo’n plek, maar als het een succes is geworden, ze weer weg moeten. Tijdens het festival Transvormers in het gebouw deze zomer organiseerde Boukje een debat hierover met als centrale vraag: hoe kunnen de gebruikers meedelen in de waarde-ontwikkeling, zodat zij weer middelen hebben om een volgende plek te gaan transformeren.

Boukje:. “De transformatie hier is het voorbeeld hoe het ook kan: een deel blijft betaalbare ateliers en werkplekken en blijft daarmee ook waarde creëren voor het hotel. Maar de ondernemers die zijn verhuisd hebben weliswaar een financiële compensatie gekregen, maar echt meedelen in financiële zin in de waardeontwikkeling doet beheerder en exploitant Urban Resort niet.”
Een oplossing hiervoor zou kunnen zijn om bij de start van een tijdelijk gebruik afspraken te maken met de eigenaar hierover. Zodat, mocht het pand herontwikkeld worden, meegedeeld wordt in de opgebouwde waarde. De keerzijde hiervan kan zijn dat een eigenaar meer terughoudend is in het tijdelijk laten gebruiken van een pand.

Sociale stad kan internationaal opener
Boukje Cnossen vindt dat er heel veel goed gaat in Amsterdam. Als tijdelijke bewoonster van Londen de afgelopen twee jaar kan zij bijvoorbeeld deze twee steden goed vergelijken. “Wat goed is aan Amsterdam is dat het een sociale stad is. Het voorbeeld daarvan is de woningmarkt. In Londen ben je als huurder aan je lot overgelaten. Hier zijn genoeg goedkope huurwoningen en zijn je rechten beschermd. In Hackney bijvoorbeeld, vlak bij het Olympic Park, werden de huren gewoon verdubbeld in de aanloop.”
Maar ook Amsterdam heeft zijn verbeterpunten:“Ik vind dat Amsterdam opener moet worden en makkelijker moet zijn in het verwelkomen van mensen met potentie uit andere landen. Zij hebben kennis en talenten die we hier niet of minder hebben. Nu moeten ze 100 miljoen keer naar de Kamer van Koophandel, naar de gemeente, ze komen er niet tussen op de woningmarkt. Dat moet echt veel minder bureaucratisch.” In Stadsgesprek #28 pleitte Mike Lee van Appsterdam ook al voor een dergelijke verandering.
Cnossen: “De werkelijkheid van nu is dat mensen veel meer reizen. Ze wonen en werken een paar jaar hier, dan weer een half jaar ergens anders. Internationalisering en flexibilisering, zoals alle zzp-ers, dat zijn de grote ontwikkelingen van dit moment. Daar moet de regelgeving veel meer op aangepast worden. Amsterdam zou daar in voorop moeten lopen; het mag wel wat meer flexibel en open zijn.”

Nieuwe manier om wortel te schieten
Het volgende onderzoek is alweer begonnen voor Boukje Cnossen. Ze gaat het komende jaar drie broedplaatsen in met elkaar vergelijken: het A-Lab op het oude Shell-terrein, het voormalig ACTA-gebouw in Nieuw-West en Beehives in Amsterdam-Oost. “Mijn hypothese is dat dit soort plekken aan internationale kunstenaars en creatieven meer mogelijkheden bieden om lokaal te wortelen dan de “klassieke” artist-in-residence programma’s.”

 


Meer informatie over het onderzoek is te vinden op
www.circa.uva.nl