Stadsgesprek #46 David ter Avest over stations en hun omgeving

Via een bijdrage op het blog Ruimtevolk kwam ik een artikel tegen van David ter Avest (29 jaar). Hij schreef hier over stations die meer “reispaleizen” moesten worden waar de nadruk minder lag op “to go” en meer op “to stay”. David ter Avest studeerde Sociale Geografie aan de UvA en werkte onder meer bij het Ministerie van VROM en een adviesbureau in de ruimtelijke sector. Het blog dat ik las, was een artikel gebaseerd op zijn scriptie over een aantal stations en hoe deze plekken “betekenisvol” konden worden. “Na het schrijven van je scriptie heb je altijd nog een paar dingen die je nog eens wil zeggen.”, zo omschrijft ter Avest zelf zijn blog. Dit Stadsgesprek biedt David ook nog een mooie gelegenheid daartoe.

 

“Ga naar Milaan, naar Antwerpen, daar word ik echt blij van, dat zijn de echte reispaleizen, die hebben identiteit.”

 

Betekenisvol vs eenvormigheid
Van de Nederlandse stations wordt David ter Avest niet direct enthousiast, op een paar grote stations na dan. Die hebben meer geld gekregen toen ze als ‘sleutelproject’ zijn benoemd en daar hebben ze van geprofiteerd. “Uiteindelijk is dat door stijgende kosten wel weer minder geworden, zoals je aan het gebruikte materiaal van het nieuwe dak van Utrecht CS kunt zien.” Maar de eenduidigheid van die stations zit vooral in het aanbod van winkels: de Julia’s, de AKO, Hema en Burger King. Maar daarachter liggen weer afspraken tussen NS en deze ketens. “Bij Amsterdam Centraal wordt dat trouwens nu doorbroken, daar is het aanbod aan retail zo groot dat er ruimte is voor lokale ondernemers. Ik heb bijvoorbeeld begrepen dat Burgermeester er een vestiging opent.”
Een probleem dat Ter Avest ziet om echt betekenisvolle plekken van stations te maken zijn de perrons. Ook die moeten een identiteit krijgen. Als voorbeeld noemt David ter Avest station Utrecht CS . “Loop daar rond en je ziet wat er aan schort. In de hal leeft het, binnen de beperkingen van de standaardwinkels en de obligate Starbucks dan wel. Maar de perrons, die zijn afgrijselijk. Dat heeft helemaal niks met beleving te maken, er is niks anders te doen dan wachten, het is slecht ingericht en het waait er altijd. Dat is het terrein van Pro Rail, die beheert de perrons, terwijl de NS over de hal gaat.”
Pas als alles in samenhang ontwikkeld wordt, kunnen de Nederlandse stations zich misschien gaan meten met de voorbeelden van David ter Avest. “Ga naar Milaan, naar Antwerpen, daar word ik echt blij van, dat zijn de echte reispaleizen, die hebben identiteit.”

Openbaarheid van openbare plekken
Hoewel stations officieel geen openbare ruimtes zijn, functioneren ze wel op die manier; iedereen kan er rondlopen. Die toegankelijkheid is wel veranderd door de hekjes van de OV-chipkaart overigens. Maar de inrichting van de stations zou op die openbaarheid moeten aansluiten, dan wordt het echt een betekenisvolle plek, voor reizigers, maar ook voor mensen die niet direct de trein gaan nemen.
Maar David ter Avest ziet een breder probleem met openbare plekken: “Nederland heeft sowieso een haat-liefde verhouding met openbare ruimte. In ons land worden pleinen bijvoorbeeld eerder gezien als ‘restruimte’, het gevoel heerst dat het zonde is dat het bebouwd is. Amsterdam kent ook veel slechte pleinen; het Heinekenplein, dat is echt slecht. Het Amstelveld is trouwens wel weer goed. Dat is meer een parochiale ruimte: de omwonenden en ondernemers zorgen voor goed gebruik en sfeer.”

Fixatie op kenniswerkers
Variëteit aan gebruikers is voor de ontwikkeling van plekken, stations of andere knooppunten van verkeersstromen, van belang. Volgens ter Avest zijn de stations nu te eenzijdig gericht op een doelgroep: de snelle, flexibele stadsbewoner die altijd druk is. David stelt dat stations wel wat minder gericht mogen zijn op to go en meer op to stay. Die eenzijdigheid ziet hij overigens breder dan alleen bij stations.
“Ik ben best wel een fan van Arnold Reijndorp, de stadssocioolog; hij beschreef het voor zijn Maaskantprijs in 2012 goed: steden focussen teveel op de ‘creatieve klasse’, de hoogopgeleiden. Bestuurders en gemeenten moeten niet vergeten dat er ook anderen zijn met hun wensen. Ouderen bijvoorbeeld, die gebruiken een station heel anders. Die zoeken ook hier een rustige plek. Maar ook gezinnen, die geen haast hebben, die zou je op stations en de omgeving meer aan bod kunnen laten komen.”


Kansen voor Amsterdam
Vanuit zijn onderzoek ziet David ter Avest goede kansen voor Amsterdam en de ontwikkeling van de stations hier tot ‘betekenisvolle knooppunten’. “De cirkel van Sloterdijk, Zuid, Amstel en ook Lelylaan biedt veel meer mogelijkheden dan bijvoorbeeld Utrecht, waar Centraal echt de spin in het web is. Andere stations hebben daardoor minder kansen.” Ter Avest ziet Tokio als het walhalla, waar de reuring en de ontwikkeling optimaal is. Mobiliteit en stedelijke ontwikkeling wordt daar standaard gecombineerd.
Station Lelylaan en de omgeving daarvan is volgens David een mooie plek voor ontwikkeling tot een betekenisvol knooppunt. Daar is en wordt veel gepraat met ontwikkelaars en architecten maar het resultaat blijft tot nu toe uit, zoals iedereen weet die er rondloopt. “Het heeft veel potentie, omdat het een schakel is in verbindingen van tram, bus en trein en er zijn veel mensen.”, analyseert David. Zelf voeg ik daaraan toe dat er ook een enorme diversiteit is van mensen: scholieren, studenten, bewoners en werknemers.

Central Park op de Zuidas
“Ik vind het erg jammer dat de plannen voor Zuid en de Zuidas vertraagd zijn. Dat moet echt een groot station worden, op papier misschien wel het grootste van Nederland.
David vertelt over een internationale planologendelegatie die met de bus op het talud werden afgezet en danig teleurgesteld waren in wat ze zagen. “Een van hen riep uit “shoot the planners!”. Van de maquettes met het eindbeeld waren ze meer onder de indruk. En het blijft natuurlijk een toplocatie, zo dicht bij Schiphol”
Als David ter Avest zelf aan de gang zou gaan met het gebied zou hij inzetten op het aantrekken van onverwachte, nieuwe functies, die een eigen publiek trekken. Op die manier gebeurt er wat. Tijdelijke invulling van de plinten met pop-upachtige initiatieven zou een goede toevoeging zijn, zo schetst hij. En andere winkels dan het huidige standaardaanbod op stations.
En uiteindelijk moet er voor het station en de omgeving een omvattend plan komen: “Een master-student heeft echt een fantastisch ontwerp gemaakt voor de omgeving van station Zuid. Met een park bovenop het dok en dan de wolkenkrabbers eromheen. Dat gaf echt een Central Park-achtig gevoel. Nu is er compromis gevonden; op zich knap in deze tijd, maar het is wel een halve oplossing.”